1 - Maren
Ergens vanuit het huis klonk een indringend geluid, zo luid dat het het hoorspel overstemde, dat ik aan het beluisteren was. Ik draaide aan de grijze knop van de radio om hem het zwijgen op te leggen en verliet de kamer. Het geluid veranderde van een ruis in een soort geratel. Het laminaat kraakte; gang-trap-salon-gang. Studeerkamer. Ik had het geluid steeds luider horen worden naarmate ik dichter bij mijn vaders studeerkamer kwam. Ondanks dat hij zat rees hij hoog boven het toetsenbord uit, de bron van het indringende getik. Het bord was breed en had matzwarte toetsen, waar zijn magere vingers vigoureus op hamerden. Omdat de deur al open was hoorde hij me niet binnenkomen. Uiteindelijk keek hij op. Stopte met tikken. Hij was omgeven door vele soorten hout, licht, donker, veel glas ook in de vitrine waar hij zijn boeken in bewaarde. Het montuur van zijn bril was ook donker. Hij was, Frans sprekend in zichzelf, één geweest met de tekst die hij aan het schrijven was. Het klonk mooi als hij Frans sprak: zijn gehele gezicht leek zich in te spannen om de voor mij onbekende klanken te produceren, zo nauwkeurig articulerend dat het leek alsof de woorden voorzien waren van een onzichtbare rand die ze scheidde van de andere.
“Papa.” Zachtjes, zodat hij rustig uit zijn gedachtestroom kon stappen, zoals ik wist dat hij het graag had. Hij zette zijn bril af.
“Gaan we al?”
“Nee,” zei ik, en ik ging op de rand van zijn bureau zitten. Hij zweeg even en ik wist dat hij zijn Franse gedachten voor Nederlandse inwisselde. Mijn vaders hoofd was een gecompliceerd doolhof. Dit wist ik, omdat ik er regelmatig kwam. Tussen hoge, dichte hagen door waren kleine binnenplaatjes te vinden waar zich telkens een ander tafereel afspeelde. Grint kraakte. Tussen de binnenplaatsen in bevonden zich smallere gangetje, steegjes bijna, waar het vaak donker was. De paden en binnenplaatsen waren zuinig verlicht. Uit het niets speelde af en toe een zacht operamuziekje met gezang van een vrouwelijke sopraan. De hagen klonken vreemd genoeg als het ruisen van eb en vloed. Hij had dat me verteld, lang geleden, toen ik het nog niet begreep, en zei erbij dat hij me daarnaar had vernoemd.
Het doolhof was op dat moment geen prettige plaats om te zijn: ik had het koud en het gezang zwelde onaangekondigd aan, waardoor ik schrok. De tweede binnenplaats rook naar oud katoen. Het was een ongewoon grote zaal voor het aantal mensen dat er normaal gesproken in werd gehuisvest. Amateurregisseur Thomas Coudewater had het ruim twee decennia geleden, een half jaar na mijn geboorte, voor weinig gekocht om zijn liefhebberij uit te oefenen. Hij zocht in die tijd acteurs om zijn kleine houten podium mee op te vullen. Kort na zijn advertentie in de ochtendkrant kreeg hij een brief van Matthias van der Eeden, negentien jaar oud en geen enkele ervaring. De brief was in keurig schuinschrift geschreven en de handtekening onderaan was veel te formeel en veel te zwierig. Hij was in een te groot overhemd van zijn vader op komen dagen; zijn enorme lengte verborg hij door onbewust een beetje krom te lopen. Coudewater besloot als eerste project een bewerking van Das Parfum van Patrick Süskind op te voeren. Matthias gunde zichzelf, tot de verbazing van velen, nauwelijks de tijd om van zijn onhandige zelf te veranderen in de sinistere Jean-Baptiste Grenouille. Toen hij speelde, werden zijn ogen groot als in een permanente verbazing en spanden alle spieren in zijn gezicht zich samen totdat ze de juiste houding hadden gevonden. Hij kromde zijn rug in geveinsde nederigheid en richtte zijn blik op de grond.
De manier waarop hij zijn magere gezicht vormde, zijn vingers ineen vlocht en zijn stem precies op het juiste moment brak, veranderde niet tot en met de uitvoering, niet uit onvermogen, maar omdat beter simpelweg niet kon.
“Ik heb de beste neus van Parijs, Maître Baldini, ik ken alle geuren van de wereld, alle die in Parijs zijn, allemaal - “
“Ik maak dit even af en dan gaan we.”
Ik was weer in de studeerkamer.